AG Eindhoven, bijzondere activiteiten in goed gezelschap

Feye Meijer

Feye Meijer

Feye Meijer in Bhutan, 2017.
Op de achtergrond het Taktsang-klooster, dat hij na een steile klim van 700 meter hoog boven de Paro Valley heeft bereikt.


Feye Meijer

De veteranen-acht van Beatrix in The Head of the River in Amsterdam op 18 maart 2017. Precies in het midden, met opgestoken hand, Feye Meijer, op dat moment bijna tachtig jaar jong.




Feye Meijer (80) trekt zijn jack uit en neemt geroutineerd plaats op een van de roeiapparaten in de loods van roeivereniging Beatrix aan het Eindhovens Kanaal. In een oogwenk zit hij – duidelijk in zijn element – vol overgave te roeien.

In feite zien we hier nog dezelfde enthousiaste jongen in actie als de knaap die in 1955, in het eerste jaar van zijn studie chemie in Amsterdam, bij toeval deze sport ontdekt. Het roeivirus krijgt hem dan helemaal in zijn greep. Vijf jaar lang traint hij elke dag. Met succes: driemaal vertegenwoordigt hij Nederland bij de Europese Kampioenschappen, met als hoogtepunt een zilveren medaille met de ‘Oude Vier’ van Nereus in Macon in 1959. In dat jaar wint hij met de gestuurde vier ook de Varsity, de traditionele jaarlijkse universitaire roeiwedstrijd. “Studeren en roeien, daaruit bestond toen mijn leven.”

Het heeft hem veel gebracht, kan hij nu vaststellen. Een sterk gestel, maar ook het vermogen hard te werken, tegenslagen te incasseren en zich te focussen. “Ik heb geleerd mijn tijd goed in te delen en mijn aandacht te richten op de dingen waar ik mee bezig ben. Ik heb me eigen gemaakt heel gedisciplineerd te werken. Kennelijk past die levensstijl bij mij.”

Het komt hem goed van pas, als hij in 1964, na twee jaar fellowship aan de universiteit van Toronto, bij Philips gaat werken. Begonnen als medewerker van het Natuurkundig Laboratorium klimt hij er op tot directeur voor de Hoofdgroep Materialen en vervolgens wordt hij, tot aan zijn pensionering in 1997, directeur Internationale Research Coördinatie. In 1985 wordt hij ook nog buitengewoon hoogleraar in Leiden en in 1993 erelid van de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging, om maar wat te noemen.

Bergvirus
Na het roeien in zijn studententijd stort hij zich, aangestoken door zijn vrouw Ineke, op het bergbeklimmen. In 1970 bedwingen ze hun eerste ‘vierduizender’, de Allalin in Zwitserland. Nog vele tochten naar deze en soortgelijke bergtoppen volgen. Ook de drie kinderen Nienke, Peter en Ariaan ontwikkelen zich, ieder op hun eigen manier, tot klimgeiten. In het begin draagt Feye zijn dochter Ariaan, die lichamelijk gehandicapt is, in een zitje bergop, later ontwikkelen ze andere, minder slopende methodes om boven en weer beneden te komen.
Steeds meer is hem de landschappelijke eenzaamheid gaan aanspreken: hoog in de bergen, met name in het nog ongerepte Bhutan, waar hij zeven keer een bergtocht maakt, maar ook in de heuvels van Mongolië en de witte wereld van Antarctica en de Noordpool.
“Ik denk dat het meest fascinerende aspect voor mij de onbegrensdheid is”, schrijft hij aan het slot van het boek waarin hij zijn levensverhaal gedetailleerd heeft opgetekend. “Die ruimte zonder zichtbare grenzen gaat vanzelf gepaard met een zekere tijdloosheid.”
Geen vreemde gedachte voor iemand die, van huis uit doopsgezind, zich in de loop der jaren ook sterk is gaan interesseren voor de Oosterse filosofie, met name in het taoïsme en het Boeddhisme. “Taoïsme is leven en handelen in harmonie met de natuur, met de natuurlijke loop der dingen.”
Het schenkt hem troost na het overlijden van zijn vrouw in 1999. “Ik ben gaan inzien dat je al tijdens je leven een gevoel van geborgenheid kunt ervaren in de natuur. De onbegrensdheid van de natuur geeft ruimte en vrijheid en boezemt geen angst in.”
Dit inzicht heeft zich verdiept door de reeks cursussen filosofie die hij tot op de dag van vandaag volgt (samen met zijn tweede echtgenote Loes van Santvoort) bij het Academisch Genootschap, waarvan hij in 1964 lid werd en van 1995 tot 2001 voorzitter was.
Het roeien heeft hij 35 jaar geleden weer opgepakt. Nog steeds is hij twee keer per week op het Eindhovens Kanaal te vinden, weer of geen weer, samen met zijn krasse kornuiten van de Beatrix-acht. “Boven de zestig lever je ongeveer één procent per jaar aan spierkracht in. Volgens een artikel in de New Scientist geldt dat ook voor sportmannen tussen 100 en 105 jaar. We kunnen dus nog even door. “