AG Eindhoven, bijzondere activiteiten in goed gezelschap

Marita Simons-Deen

Familiefoto

Marita's familie van moeders kant.


Marita Simons

Marita Simons bij de struikelstenen van vijf familieleden, onder wie haar grootvader en grootmoeder, in de Duitse plaats Ziegenhain.


Struikelstenen

De struikelstenen in Ziegenhain.


Ida Simons

Portret van Ida Simons,
door Paul Citroen.


Jan Simons

De jonge Jan Simons.


Jan en Marita

Jan en Marita Simons op de dag van de promotie van Jan


Marita Simons, geboren in 1942, geeft gastlessen over de Tweede Wereldoorlog aan scholieren. Ze begint haar verhaal steeds met het tonen van een familiefoto, die haar zeer dierbaar is. Het lijkt een feestelijk diner. De mensen op de foto zijn haar joodse familie van moeders kant, kort voor de oorlog. Ze zijn uit Duitsland gevlucht naar Nederland, uit angst voor de nazi’s.
“Van de dertien mensen op de foto hebben er maar twee, onder wie mijn moeder, de oorlog overleefd. Op de foto staan mijn moeder en vader links boven. Misschien zat ik al in mijn moeders buik. Ik weet niet wanneer en bij welke gelegenheid de foto gemaakt is. In ieder geval vóór de verplichting tot dragen van de jodenster, die inging op 3 mei 1942.”
Marita gebruikt de foto om jongeren te laten zien wat voor verschrikkingen een oorlog met zich meebrengt. En wat mensen elkaar allemaal kunnen aandoen.

Ze illustreert haar betoog met ervaringen uit haar eigen leven. Haar joodse grootouders heeft ze nooit gekend. Zij werden vermoord/vergast in Auschwitz en haar oom en tante met hun echtgenoten en baby in Sobibor. Ook haar vader heeft ze niet gekend. Nog maar kortgeleden hoorde ze wat er met hem is gebeurd.
“Mijn ouders zijn opgepakt bij een razzia en naar Westerbork vervoerd en vandaar op transport naar Auschwitz gezet. Pas enkele jaren geleden hoorde ik in Westerbork hoe het met mijn vader is afgelopen. Hij werkte vanuit Auschwitz in het ghetto van Warschau, waar hij lijken moest opruimen. Daar is hij in februari1944 bezweken aan tyfus.”

‘Unbekannte Kinder’
Marita zelf kwam, nadat ze was ondergebracht op een onderduikadres in Amsterdam maar daar werd verraden, terecht in het weeshuis in Kamp Westerbork. Zo zijn nog 49 kinderen, die in onderduik waren gegeven, verraden en in het weeshuis terechtgekomen. Deze groep van 50 kinderen waren tussen de 2 en 5 jaar oud en wisten vaak hun naam niet of alleen hun onderduiknaam, daarom stonden ze op de lijst als ‘Unbekannte Kinder’, toen de groep met het laatste transport uit Westerbork op 13 september 1944 werd overgebracht naar Bergen-Belsen. Omdat daar tyfus heerste, is de groep vandaar in november getransporteerd naar Theresienstadt, alwaar ze in mei 1945 werden bevrijd.
Marita: “Het heeft me altijd verbaasd dat ik er nog ben, net als trouwens bijna al die andere vijftig kinderen. In 2017 was ik in Bergen-Belsen voor een interview waar ik dus ook mijn verbazing uitte dat ik er nog was. De interviewster zei mij dat ze mij dat wel kon vertellen. Ik kreeg er kippenvel van. En nog steeds, als ik dit vertel. Inmiddels zagen de Duitsers dat het allemaal niet meer zo geweldig liep en ze dachten dat ze onze groep van 50 joodse kinderen misschien konden gebruiken als ruilobject. Daaraan dank ik dat ik nog leef.”

Na de bevrijding werd ze herenigd met haar moeder, die een kamer vond in Amsterdam. “Ik weet niet hoe dat allemaal is gegaan. Ik zit nog vol vragen. Waarom en door wie ben ik verraden? Was dat vanwege het ‘kopgeld’, een premie van 7,50 gulden als je een jood aangaf? Waarom is onze groep naar Theresienstadt getransporteerd? Hoe ben ik herenigd met mijn moeder? Waar hebben we voor de oorlog in Amsterdam gewoond? Tegenwoordig ben ik heel erg bezig met dit soort vragen. Er werd vroeger niet over gepraat.”
“Ik was een erg verlegen meisje, misschien ook als gevolg van de oorlog: je moest je koest houden. Ik durfde niets te zeggen in het openbaar, daar draai ik nu mijn hand niet meer voor om.” Dat bleek wel toen ze onlangs, tijdens de maandelijkse borrel van het AG, het woord nam. Ze legde uit waarom ze alle aanwezigen trakteerde op een drankje en een snack. De NS had de vergoeding uitbetaald die vorig jaar was toegezegd. Daarmee wilde het bedrijf compenseren wat het in de oorlog fout had gedaan: het had meer dan 100.000 joden - en ook Roma en Sinti - naar kamp Westerbork vervoerd. Elke rit werd betaald door de Duitsers, maar indirect door de slachtoffers zelf, omdat de Duitsers al hun bezittingen geconfisqueerd hadden. Bijna 75 jaar later volgde de compensatie.
“Het gaat me niet om het geld”, aldus Marita, “het gaat me om de erkenning van het leed dat al deze mensen is aangedaan en dat de wereld dat weet. Daarom geef ik borrels van dat geld.”

Recht gedaan
Al eerder had ze mogen ervaren dat er na de oorlog recht was gedaan. De zaak was aangespannen door de jurist David Simons, haar schoonvader. Hij was getrouwd met Ida Simons-Rosenheimer, internationaal concertpianiste en schrijfster, onder andere van de semi-autobiografische roman ‘Een dwaze maagd’, verschenen in 1959 en met veel succes herdrukt in 2014. David zat met zijn gezin van 1943 tot 1945 gevangen in de kampen Barneveld, Westerbork en Theresienstadt. Teruggekeerd in Nederland ontving hij een belastingaanslag van de gemeente Den Haag, omdat hij over de genoemde jaren geen erfpacht voor zijn woning had betaald. Simons kwam hiertegen in het geweer, tot aan de Hoge Raad. Maar hij moest betalen.
Marita, zijn schoondochter en erfgenaam, wist niets van dit alles. Ze was in 1969 afgestudeerd als arts en getrouwd met Jan Simons, die in datzelfde jaar promoveerde als natuurkundige. Ze verbleven drie jaar in Israël, waarna ze terugkeerden naar Nederland met hun twee kinderen en beiden bij Philips in Eindhoven een baan kregen. Marita eerst als verzekeringsarts en later na bijscholing als bedrijfsarts. Jan ontwierp de optische weg voor de video-longplay. Na diverse andere functies eindigde hij als directeur van CSD. Hij werd ook meteen actief bij het Academisch Genootschap, zat in diverse besturen en in de cabaretgroep die nu helaas niet meer bestaat. Marita sloot zich later aan bij het AG.
Jan overleed in 2009. Marita was totaal verrast toen ze in 2017 een brief van de gemeente Den Haag ontving met informatie over een compensatieregeling. In totaal ontving ze 15.000 euro. Ze heeft het bedrag gebruikt om vorig jaar een nieuwe uitvoering mogelijk te maken van de opera ‘Ludmilla’, die in juni 1944 eenmalig was opgevoerd na de pauze van de laatste Westerbork-revue ‘Total Verrückt’. De tekst en muziek daarvan had ze teruggevonden in de nalatenschap van haar schoonmoeder.
"Het was heel bijzonder en emotioneel", zo reageerde Marita op de voorstellingen in de Uilenburger Synagoge in Amsterdam en het herinneringscentrum van kamp Westerbork. "Voor mij is de cirkel rond.” Ze heeft de schroom om over de jodenvervolging te praten, van zich afgelegd. “Ikzelf heb er vroeger heel weinig over gepraat en te weinig gevraagd. Pas de laatste jaren spreek ik er in het openbaar over, omdat iedereen moet weten wat er in de oorlog is gebeurd en moet blijven herdenken om de herinnering levend te houden. Ik hoop dat discriminatie verdwijnt, opdat er vrede zal blijven.”